bijlage 3 Klachtenregeling Onderwijsstichting Zelfstandige Gymnasia (OSZG)

Schoolgids 2016-2017

1.  Er is op iedere school ten minste één contactpersoon  die de klager verwijst naar de vertrouwenspersoon.

2.  De vertrouwenspersoon gaat na of door bemiddeling een oplossing kan worden bereikt. De vertrouwenspersoon gaat na of de gebeurtenis aanleiding geeft tot het indienen van een klacht. Hij begeleidt de klager desgewenst bij de verdere  procedure en draagt desgewenst zorg voor bijstand bij het doen van aangifte bij politie of justitie.

3.  De vertrouwenspersoon verwijst de klager, indien en  voor zover noodzakelijk of wenselijk, naar andere  instanties gespecialiseerd in opvang en nazorg.

4.  De vertrouwenspersoon neemt bij zijn werkzaamheden de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht. De vertrouwenspersoon is verplicht tot geheimhouding  van alle zaken die hij in die hoedanigheid verneemt.
Deze plicht vervalt niet nadat betrokkene zijn taak als vertrouwenspersoon heeft beëindigd. De plicht tot  geheimhouding geldt niet ten opzichte van de klachtencommissie, het bevoegd gezag en politie/justitie.

5.   Er is een klachtencommissie voor alle scholen van de OSZG die de klacht onderzoekt en het bevoegd gezag hierover adviseert. De OSZG is aangesloten aan bij de Landelijke Klachtencommissie Onderwijs. De Landelijke Klachtencommissie Onderwijs heeft een eigen reglement.

6.  De klager dient de klacht in bij:

a. het bevoegd gezag of
b. de klachtencommissie.

7.  De klacht dient binnen een jaar na de gedraging of  beslissing te worden ingediend, tenzij de klachtencommissie anders beslist. Ook een ex-leerling kan een klacht indienen. Klachten kunnen gaan over bijvoorbeeld begeleiding van leerlingen, toepassing van strafmaatregelen, beoordeling van leerlingen, de inrichting van de schoolorganisatie, seksuele intimidatie, discriminerend gedrag, agressie, geweld en pesten. Onder seksuele intimidatie wordt verstaan: ongewenst seksueel getinte aandacht die tot uiting komt in verbaal, fysiek en non-verbaal gedrag. Dit gedrag wordt door degene die het ondergaat, ongeacht  sekse en/of seksuele voorkeur, ervaren als ongewenst, of wordt indien het een minderjarige leerling betreft, door  de ouders, voogden of verzorgers van de leerling als ongewenst aangemerkt. Seksueel intimiderend gedrag kan zowel opzettelijk als onopzettelijk zijn. Een anonieme klacht wordt niet in behandeling genomen, tenzij de klachtencommissie of het bevoegd gezag anders beslist.

8.   Het bevoegd gezag kan de klacht zelf afhandelen indien hij van mening is dat de klacht op een eenvoudige wijze kan worden afgehandeld. Het bevoegd gezag meldt een dergelijke afhandeling op verzoek van de klager aan de klachtencommissie.

9.   Het bevoegd gezag deelt de rector van de betrokken school schriftelijk mee dat er een klacht wordt onderzocht door de klachtencommissie.

10. Klager en aangeklaagde kunnen zich laten bijstaan of laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De klager en de aangeklaagde hebben het recht zich op elk gewenst moment in de procedure te laten bijstaan door een raadsman of zich te laten vertegenwoordigen.

11. De klacht wordt schriftelijk ingediend en ondertekend.

12. De klacht bevat ten minste:
- de naam en het adres van de klager;
- de dagtekening;
- een omschrijving van de klacht.

13. Binnen vier weken na ontvangst van het advies van de klachtencommissie deelt het bevoegd gezag aan de klager, de aangeklaagde, de rector van de betrokken  school en de klachtencommissie schriftelijk gemotiveerd mee of hij het oordeel over de gegrondheid van de klacht deelt en of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen neemt en zo ja welke. De mededeling gaat vergezeld van het advies van de klachtencommissie en het verslag van de hoorzitting, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.

14. Indien in deze beslissing een rechtspositionele maatregel is begrepen, worden de vigerende bepalingen ter zake van hoor en wederhoor in acht genomen.
Bij het openbaar en bijzonder voortgezet onderwijs dienen de bepalingen van de CAO-VO in acht te worden genomen. Het bevoegd gezag van het openbaar onderwijs is verplicht aangifte te doen van een misdrijf aan de officier van justitie of aan één van zijn hulpofficieren. Schoolbesturen worden verplicht contact op te nemen met de vertrouwensinspecteur als het vermoeden bestaat dat een personeelslid zich schuldig heeft gemaakt aan een zedenmisdrijf met een minderjarige leerling. Als uit het overleg met de vertrouwensinspecteur blijkt dat er een redelijk vermoeden bestaat van een strafbaar feit, is het bevoegd gezag verplicht daarvan aangifte te doen bij politie of justitie. Wanneer er sprake is van een strafbaar feit wordt de uitkomst van het strafproces niet afgewacht, alvorens door het bevoegd gezag maatregelen jegens de aangeklaagde worden genomen. Het bevoegd gezag heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid.

15. In gevallen waarin de regeling niet voorziet, beslist het bevoegd gezag.